Wet en evangelie en de verhouding tussen beide in het Oude Testament.

Een artikel geschreven door ds. L. Heres.

Het Oude Testament als boek van de wet.

Het ligt bijna voor de hand om het Oude Testament te zien als een boek van de wet. De eerste vijf
boeken, Genesis uitgezonderd, bestaan voor het grootste deel uit wetteksten.

Ze staan in het Nieuwe Testament zelfs bekend onder de noemer ‘Wet’ of ‘Wet van Mozes’. Het is dan ook niet
verwonderlijk dat in de vroege kerk een gezaghebbende traditie ontstond, die tot in de
middeleeuwen gangbaar bleef, waarin de verhouding tussen het Oude en het Nieuwe Testament
werd gekarakteriseerd als wet en evangelie.
Ik denk dat sporen van die tegenstelling tot aan de dag van vandaag toe nog levend zijn.

Thora

Hoezeer die tegenstelling ook is af te wijzen, toch is het voorkomen van wetten wel degelijk kenmerkend voor het Oude Testament. Allereerst in de wet van Mozes. We lezen over geboden, inzettingen en verordeningen (Deut. 4,1.40.45).

In de herhaling van de wet in het boek Deuteronomium wordt het leven in het beloofde land gekarakteriseerd als een leven volgens Gods geboden. Bepalend is het gedeelte waar de inleidende, historiografische hoofdstukken van Deuteronomium op uitlopen: ‘En u moet Zijn verordeningen en Zijn geboden, die Ik u heden gebied, alle dagen in acht nemen, opdat het u en uw kinderen na u goed gaat en opdat u uw dagen verlengt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft, alle dagen’ (Deut. 4,40).

In Deuteronomium volgt dan eerst een herhaling van de Tien Geboden. De vooropgestelde plaats van de Tien Geboden is er een aanwijzing voor dat de Tien Geboden als een soort grondwet functioneren.[1] Na de Tien Geboden volgen enkele hoofdstukken met theologisch-inhoudelijke voorschriften (6-12), terwijl het grootste deel van het boek bestaat uit specifieke en meer casuïstische voorschriften (13-26). Het boek wordt afgesloten met zegen- en vloekbepalingen, afscheidswoorden van Mozes en een historiografisch gedeelte.

Die opbouw komt overeen met de beschrijving in Exodus tot en met Numeri, waar de wetgeving op de Sinaï beschreven wordt. Het begint in Exodus 20 met de Tien Geboden, waarna meer uitgebreide voorschriften volgen. De wetgeving op de Sinaï staat, meer dan in Deuteronomium, in het kader van de eredienst in de tabernakel. De conclusie mag getrokken worden dat volgens de Thora het leven, met de tabernakeldienst als centrum, gereguleerd wordt door het concreet gebiedend spreken van de HEERE.

Profeten

De profeten van Israël hebben vaak tot taak om kritiek te oefenen op het leven van hun volksgenoten. Er wordt wel eens gesuggereerd dat ze een eigen, hoogstaande ethische code hanteren die tot dan toe in Israël nog niet bekend was.[2] Toch is hun adagium: ‘Terug naar de wet en het getuigenis!’ (Jes. 8,20).

Juist een populaire tekst als Micha 6,8 laat dat zien: ‘Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is en wat de HEERE van u vraagt: niets anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God’. Let er op dat Micha zegt dat de HEERE iets heeft bekendgemaakt en dat Hij iets vraagt. Dat is een verwijzing naar de wet (zie Deut. 10,12).[3] Door zijn profeten herinnert Hij daaraan en actualiseert Hij dat.

De herinnering aan de wet is ook zichtbaar door de concreetheid van de profeten. Zij spreken concrete mensen aan in een concrete leefwereld. Zij spreken hen aan op concrete afdwalingen van de wet. We komen bij de profeten geen filosofische verhandelingen tegen over bijvoorbeeld de aard van het goede of de categorische imperatief. Zij spreken niet vanuit idealen, maar vanuit een opdracht van hun Zender.[4]

Tegelijkertijd geven de profeten een actualisering. Hun verkondiging staat bijna altijd in het kader van de spanning tussen het feit dat Gods geboden verlaten worden en de verwachting van Gods oordeel in de nabije toekomst. Dat wordt misschien wel vooral zichtbaar in de felheid waarmee ze spreken. De gevraagde gehoorzaamheid aan de geboden is radicaal. Juist de profeten verkondigen de wet scherp en dringend (o.a. Amos 5,15).[5] Daaruit blijkt dat de wet van de HEERE onverminderd van kracht blijft als het volk zich onttrekt aan het gebiedend spreken van de HEERE.

Verhouding met God

Kan het Oude Testament gezien worden als een boek van de wet? Ja en nee. Ja, omdat in het voorgaande duidelijk is geworden dat de geboden van de HEERE een voorname rol spelen in het Oude Testament. Het leven wordt er heel concreet door bepaald. Nee, voor zover de wet wordt teruggebracht tot voorschriften en inzettingen. De geboden en bepalingen staan vanaf het eerste begin in het kader van Gods verhouding met de mens.

Het leven in het beloofde land is het land ‘dat de HEERE, uw God, u geeft’. De Tien Geboden worden voorafgegaan door een zelfopenbaring van God: ‘Ik ben de HEERE, uw God’. De herhaling van de wet in Deuteronomium wordt ingeleid door een beschrijving van de weg die de HEERE is gegaan met zijn volk. De centrale rol van de tabernakeldienst in de wetgeving op Sinaï laat zien dat het de HEERE is te doen om de omgang met zijn volk. Kennis van de geboden is niet mogelijk los van de kennis van God.[6]

Bij de profeten is juist de verbondsbreuk een belangrijke oorzaak voor de felheid van hun verkondiging. Het gaat om verbreking en herstel van die verhouding. Kennis van God is meer dan brandoffers (Hos. 6,6).

__________________________________

Het Oude Testament kan dus gezien worden als een boek van de wet, mits de wet niet wordt geïsoleerd van de verhouding met de HEERE. Die benadering van het Oude Testament heeft echter wel consequenties. Het leven met de HEERE kan op een wettische en casuïstische manier beleefd worden. Maar, minstens zo ingrijpend, het risico van verbondsbreuk en veroordeling is levensgroot. Dat roept de vraag op of er niet meer te zeggen is. Is er ook niet evangelie in het Oude Testament? Kan het misschien als volgt onder woorden worden gebracht: De wet, maar gelukkig ook het evangelie?


[1] Velema, Wet en evangelie, 77-80.

[2] Vgl. T.W. Manson, Ethics and the Gospel, (SCM Press: London 1960), 26.

[3] Velema, Wet en evangelie, 100. Vgl. Manson, Ethics, 18.

[4] Manson, Ethics, 27.

[5] Velema, Wet en evangelie, 168.

[6] Vgl. Manson, Ethics, 19.