‘Er moeten dienaren of herders zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen, ook opzieners en diakenen, om met de herders een raad van de kerk te vormen.’ (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 30)
Er ‘moeten’ herders, opzieners en diakenen zijn – belijdt de kerk in artikel 30 van haar Nederlandse Geloofsbelijdenis. Maar iemand zou kunnen vragen: waarom ‘moet’ dat? Is dat, omdat de HERE ons dat leert in zijn Woord? Of omdat het zijn kerk heeft goed gedacht om het zo te doen? Vragen, waar in de loop van de geschiedenis al veel over te doen is geweest.
De kerk dankt de ambtsleer zoals zij die in haar Nederlandse Geloofsbelijdenis verwoordt, voornamelijk aan de kerkreformator Johannes Calvijn. En in de discussies die over zijn ambtsleer gevoerd zijn en worden, zijn en worden er dikwijls ook vragen gesteld over de Schriftuurlijke onderbouwing ervan. Oftewel: ‘moet’ het echt zo, of mag het ook anders?
In dit artikel, dat gebaseerd is op een college dat ik gaf op de studiedag van 17 december 2025 en de bespreking die daarop volgde, ga ik na op welke manier Calvijn de drie ambten die hij voorstond en die wij in ‘onze’ kerken nog steeds kennen, heeft onderbouwd en beantwoord ik de vraag of de manier waarop hij dat doet ook overtuigend is te noemen.
Institutie (1559)
Als de vraag gesteld wordt naar Calvijns ambtsleer en de onderbouwing ervan, wordt vaak algauw de laatste druk van zijn Institutie uit 1559 erbij gepakt. Daarin speelt Efeze 4:11 een belangrijke rol: ‘en Hij (=Christus, AB) heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, weer anderen als evangelisten en nog weer anderen als herder en leraars…’
‘Van hen’, schrijft Calvijn dan, ‘hebben alleen de laatste twee nog een ambt dat in de kerk gebruikelijk is; de andere drie heeft de Heere in de eerste periode van Zijn rijk verwekt en af en toe doet Hij dat nog wel, naar gelang de nood der tijden dit vereist.’[1] Op de keuzes die Calvijn hier maakt, is in de loop der tijd al heel wat kritiek uitgeoefend.
Zo stelt professor C. Graafland dat Calvijns keuze voor juist deze tekst is ingegeven door zijn voorliefde voor de herder, aan wie hij als voornaamste taak de dienst van het evangelie toekende. En dat heeft weer alles te maken met de tijd waarin hij leefde en de beweging van de Reformatie waarvan hij een belangrijk vertegenwoordiger is geweest.
‘Het hart van deze beweging is immers geweest’, aldus Graafland, ‘dat tegenover het sacramentalisme van de roomse kerk de vernieuwende kracht van het goddelijke Woord opnieuw is ontdekt.’[2] Maar als Calvijns ambtsleer werkelijk zozeer is bepaald door de vragen en antwoorden van zijn tijd, is die dan eigenlijk nog wel toereikend voor andere tijden?
Oude kerk
Als we Calvijn recht willen doen, dienen we ons echter niet te beperken tot de Institutie van 1559. Aan deze laatste druk zijn vele andere voorafgegaan, waarin Calvijns ambtsleer zich gaandeweg en ontwikkeld heeft en hij ook veel aandacht heeft besteed aan de Oude Kerk. Ook als het om het ambt gaat, heeft hij gepleit voor terugkeer naar de Oude Kerk.
In zijn beschrijving van de ambtelijke praktijk in de Oude Kerk neemt Calvijn zijn uitgangspunt niet in één enkele tekst, maar in het ene ambt dat Christus Zelf heeft toevertrouwd aan zijn apostelen en bestond in de dienst aan Woord en sacramenten. Anders als bij de keuze voor Efeze 4:11 kan Calvijn hier moeilijk de invloed van zijn tijd verweten worden.
In latere edities van zijn Institutie, vanaf 1543, is Calvijn gaan benadrukken dat het ene ambt dat Christus heeft ingesteld aanvankelijk in drie onderscheiden gestalten verschenen is: herders, oudsten en diakenen. Daarnaast wijst hij ook nog op de functie van de bisschop, die hij duidt als ‘primus inter pares’ van het college van oudsten of opzieners.[3]
Herder
Van de vier ambten die Calvijn zelf onderscheidt, is dat van herder het nauwst verbonden met het apostelambt. Christus’ opdracht om het evangelie te verkondigen en de sacramenten te bedienen, gold niet alleen de apostelen zelf maar ook hun opvolgers. Zo noemt Paulus in 1 Korinthe 4:1 ook broeder Sosthenes een ‘beheerder van de geheimenissen Gods’.
Het verschil tussen apostelen en herders is volgens Calvijn met name gelegen in het feit dat de apostelen heel de wereld tot hun werkterrein hadden en de herders slechts een beperkt gebied. In Handelingen 14:23 staat immers te lezen, dat Paulus en Barnabas na hun terugkeer naar Lystre, Ikonium en Antiochië ‘in elke gemeente’ oudsten aanstelden.
Behalve met Woord en sacrament hebben de herders zich volgens Calvijn ook te bemoeien met de handhaving van de kerkelijke tucht, die reikt van broederlijke terechtwijzing tot buitensluiting. Apostelen en herders hebben het Woord immers niet alleen ontvangen om te openen, maar ook om te sluiten; niet alleen om te ontbinden maar ook om te binden.[4]
Leraar
Het leraarsambt, dat Calvijn voor het eerst noemt in de Institutie van 1543, onderscheidt zich van het herdersambt doordat aan leraren alleen de uitleg van de Schrift is toevertrouwd. Ook de herders is die uitleg toevertrouwd, maar die hebben daarnaast ook tucht en sacramenten nog te bedienen en het Woord behalve publiekelijk ook ‘aan huis’ te verkondigen.
Waar Calvijn de herders op één lijn stelt met de apostelen, stelt hij de leraren als dienaren van de openbaring op één lijn met de profeten van de apostolische kerk. Ook hier is er weer verschil: waar de profeten de gezonde leer uitleggen krachtens een buitengewone en voorbijgaande gave, zijn de leraren ordelijk aangesteld voor de opbouw van de kerk.
Dit alles leidt ertoe, dat Calvijn in zijn exegese van Efeze 4:11 de ‘herders’ onderscheidt van de ‘leraren’. En wel in die zin, dat elke ‘herder’ wel een ‘leraar’ is, maar omgekeerd elke ‘leraar’ niet een herder. Overigens is Calvijn daar later weer op terug gekomen: in de laatste druk van de Institutie uit 1559 komen we de leraar niet meer tegen.[5]
Oudste
In de eerste druk van de Institutie uit 1536 komen we de oudste nog niet tegen. Het eerste spoor ervan is terug te vinden in een serie artikelen van de predikanten uit Genève, waar Calvijn de eerstverantwoordelijke voor was. Daarin wordt gesteld, dat er onder de gelovigen personen moeten worden aangesteld, die de levenswijze van een ieder in het oog houden.
Zij worden weliswaar nog geen ‘oudsten’ genoemd en moesten door de burgerlijke overheid worden aangesteld, maar dienen wel samen met de predikanten op pad te gaan en bezitten een verantwoordelijkheid die reikt van vermaning tot buitensluiting. Als Calvijn zich genoodzaakt ziet de wijk te nemen naar Straatsburg, blijken er daar al oudsten te zijn.
In zijn Romeinencommentaar verbindt Calvijn de oudsten zoals we die kennen uit de pastorale brieven en die blijkens 1 Petrus 5:2 ook een toezichthoudende functie hadden, met de ‘leidinggevenden’ uit Romeinen 12:8. Op grond van 1 Timotheüs 5:17 concludeert hij tot tweeërlei oudsten: oudsten die leiding geven, en oudsten die daarnaast ook prediken.
Tegen Calvijns onderbouwing van de oudste is wel het bezwaar ingebracht dat hij enkel gepoogd heeft een functie die hij uit de praktijk al kende in een reuk van Schriftuurlijkheid te plaatsen en daar bovendien ook niet echt in geslaagd is. Maar dan vergeet men, dat de functie die hij tegenkwam door Bucer ook op grond van de Schrift was ingevoerd.[6]
Diaken
De diaken noemt Calvijn meteen al in de Institutie van 1536. Daarin beklaagt hij zich met name over het feit dat de diakenen zoals men die in zijn dagen kende zo weinig gelijkenis vertoont met de diaken die we in de Schrift tegenkomen. Op grond van (opnieuw) Romeinen 12:8 concludeert hij tot tweeërlei diakenen: diakenen die uitdelen en die zieken verzorgen.
Die laatsten worden in Romeinen 12 mensen genoemd, ‘die zich over anderen ontfermen’. Omdat die ‘ontferming’ in 1 Timotheüs 5:9 ook de taak is van de weduwen, stelt Calvijn de diakenen die zich daarmee bezighouden met de weduwen gelijk en komt hij zo tot vrouwelijke diakenen. Dat zijn echter niet de diakenen, die de aalmoezen beheren.[7]
Gestalten
Eerder merkte ik al op, dat Calvijn met name het ambt van herder of predikant verbindt met het ene apostelambt zoals dat door Christus Zelf is ingesteld. Tegelijk hebben we hem ook horen zeggen, dat dat ene ambt aanvankelijk verschenen is in de onderscheiden gestalten van herders, oudsten en diakenen. Het lijkt me, dat het een het ander niet uitsluit.
We krijgen hier oog voor, als we bedenken dat het ‘opzicht’ van de oudste ook tot de taak van de herder behoort en dan door Calvijn nadrukkelijk verbonden wordt met de Woordverkondiging zoals die door Christus aan de apostelen was toevertrouwd. En Handelingen 6 leert ons, dat het diakonaat aanvankelijk eveneens tot het apostelambt heeft behoord.
Er is vaak veel te doen (geweest) over de drie ambten die de kerk met name aan het onderwijs van Calvijn te danken heeft en tot op de dag van vandaag als de Schriftuurlijke ambten in haar Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft staan. Ik hoop met dit korte artikel echter te hebben duidelijk gemaakt, dat Calvijn daar goede gronden voor heeft aangereikt.
Afkorting
| CO | Calvini Opera. Uitgegeven door W. Baum e.a. (Braunschweig: C.A. Schwetsch-ke et filium 1863-1900). |
Bron
Calvijn, J., Institutie of onderwijzing in de christelijke godsdienst. Uit het Latijn vertaald door dr. C.A. de Niet. Deel 2 (boek 3.17-boek 4.20) (Houten: Den Hertog: 2009).
Literatuur
Ganoczy, A., Ecclesia ministrans. Dienende Kirche und kirchlicher Dienst bei Calvin, Ökumenische Forschungen I. Ekklesiologische Abteilung 3 (Freiburg: Herder 1968).
Graafland, C., Gedachten over het ambt. (Zoetermeer: Boekencentrum 1999).
Plasger, G., ‘Ecclesiologie’, in: Selderhuis, H.J. (red.), Calvijn. Handboek (Kampen: Kok 2008), 365-373.
Trimp, C., Ministerium. Een introductie in de reformatorische leer van het ambt (Groningen: Vuurbaak 1982).
[1] Institutie (1559), IV, 3.4. (Calvijn, Institutie, 255 (vertaling van: ‘ex quibus duo tantum ultimi ordinarium in ecclesia munus habent; alios tres initio regni sui Dominus excitavit, et suscitat etiam interdum, prout temporum necessitas postulat’; CO 2, 779).
[2] Graafland, Gedachten, 63.
[3] Ganoczy, Ecclesia, 233-246.
[4] Institutie (1559), IV,3.6 en 7; vgl. Ganoczy, Ecclesia, 249vv; 274-290.
[5] Ganoczy, Ecclesia, 310-315; Plasger, ‘Ecclesiologie’, 371.
[6] Ganoczy, Ecclesia, 315-324; Trimp, Ministerium, 95-103; Graafland, Gedachten, 72-76.
[7] Ganoczy, Ecclesia, 324-329.