Het kerkelijk onderwijs aan jongeren is een taak, die op verantwoorde wijze gebeuren moet. Jongeren moeten de leer van de bijbel leren kennen om er zelf naar en uit te kunnen leven. De belijdenisgeschriften – en in het bijzonder de Heidelbergse Catechismus – geven van die leer een samenvatting. Catecheten moeten die belijdenisgeschriften zelf kennen en ze moeten aan kunnen geven hoe je die kennis praktisch kunt toepassen. Daarvoor is ook nodig, dat ze hun doelgroep goed kennen. Naast hun kennis van de inhoud en de opbouw van de belijdenisgeschriften, moeten ze daarom ook thuis zijn in de ontwikkelingspsychologie: de verschillende fasen waarin jongeren naar de volwassenheid groeien. Catecheten moeten ook de leefwereld van de jongeren kennen. Maar vooral moeten ze het Woord kennen, waar jongeren naartoe gebracht moeten worden. Dat vraagt ook steeds weer een doordenken van de methodiek. Lerende leden zijn nog niet altijd ook levende leden. Terwijl levende leden zullen blijven leren. In dat spanningsveld doet de catecheet zijn werk. 

Ook tijdens de catechisaties staat het Woord centraal. Hoe je daar vanuit de catechismus naar het evangelie toe, of andersom, vanuit het evangelie naar de catechismus toe verantwoord vorm aan geeft is de vraag waar het vak catechetiek zich mee bezighoudt. Dat vraagt kennis en vaardigheid. Dat vraagt daarom ook oefening, die in de stages wordt gekregen. Zodat er onder Gods zegen predikanten en catecheten blijven, die eigentijds het evangelie onderwijzen.