In zijn Woord geeft de HERE duidelijke aanwijzingen waardoor Hij de onderlinge omgang in de gemeente regelt. Hij gebruikt hiervoor de dienst van mensen, die de gemeenschap voorgaan in het betonen van liefde. In het Nieuwe Testament wordt dit met name de taak van diakenen. Zij mogen ervoor zorgen, dat de gemeente als leefgemeenschap een open oor en oog voor elkaar houdt. In ziekte, zorg en andere moeiten mag er niemand zijn die moet zeggen: ik heb geen mens. Een diaken weet daarom te troosten. Niet alleen door zelf met het Woord naar de gemeenteleden toe te komen, maar ook door daadwerkelijk hulp te verlenen en de gemeente te mobiliseren.

We leren, hoe in de achterliggende geschiedenis aan deze speciale taak van diakenen vorm is gegeven, wat de grondbeginselen van het diakonaat zijn en hoe dit eigentijds gestalte mag krijgen. De predikant is er namelijk niet alleen om te onderwijzen, maar ook om instructie te geven. Hij mag de diakenen vertellen wat er van hen verwacht wordt en hen ondersteunen in hun eigen ambtelijke werk. Daarbij moet de predikant ook oog houden voor wat het diakonale aspect van het gemeenteleven genoemd mag worden. Het gemeenteleven ligt in de ring van prediking en gebed besloten. Daar en zo mag het bloeien. Daarom heeft het vak diakoniek een plaats binnen de diakoniologie. Zodat er – onder Gods zegen – predikanten blijven die vanuit en naar Gods Woord leidinggeven aan de interne opbouw en versterking van de gemeente en haar mogen leren, hoe Christus zelf naar deze wereld kwam om te dienen.