Zou er voor God iets te wonderlijk zijn?

Een artikel van Ds. J.R. Visser

Enkele opmerkingen bij de lach van Sara en de uittocht uit Egypte met het oog op de huidige Oud-Testamentische wetenschap en met het oog hoe we echte gereformeerde theologie hebben te beoefenen.

Abraham en Sara hebben nog geen kind van zichzelf. God heeft aan Abraham beloofd dat er een groot volk uit hem zal voortkomen en deze belofte speelt een grote rol In het leven van Abraham en Sara.

Het is goed om te zien hoe deze belofte steeds weer en al duidelijker tot hen komt. Dat is begonnen toen de HEERE Abraham uit zijn land geroepen heeft. We lezen in Genesis 12:2  dat hij tegen Abraham zegt: “Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.”

Als de jaren verder gaan, begint Abraham te twijfelen of hij echt wel een kind zal verwekken. Hij denkt dan aan de mogelijkheid dat zijn belangrijkste knecht Eliëzer alles zal erven. Dat hij hem als zijn zoon kan aannemen en op deze manier er een groot volk uit hem zal voortkomen. Zie Genesis 15:1-3 In de tijd van Abraham is dit een wettige mogelijkheid.[1]

De HEERE verzekert Abraham in Genesis 15:4 ervan dat er nageslacht uit hem zal voortkomen. Dit zal zijn bloedeigen nageslacht zijn. De HEERE benadrukt dit met de volgende woorden: “Deze man zal uw erfgenaam niet zijn, maar iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn.”

Na deze belofte raakt Sarai toch nog niet zwanger.  Sara komt dan met een plan naar voren waarbij Abraham toch de natuurlijke vader van dat kind zal zijn maar zij niet de moeder. De HEERE heeft toch niet gezegd dat zij de natuurlijke moeder van dat kind moet zijn? Zij stelt voor dat Abraham haar slavin Hagar tot vrouw neemt en een kind bij haar verwekt. Hagar kan als tweede vrouw van Abraham een kind krijgen dat volgens het recht van die tijd het kind van Sara is. Daarom zegt zij in Genesis 16:2:  “Zie toch, de HEERE heeft mijn baarmoeder gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen. En Abram luisterde naar de stem van Sarai.” [2]

Abraham en Sara leven nu In de verwachting dat Ismael, die uit Hagar, als slavin van Sara, geboren is, de zoon is waaruit een groot volk zal voortkomen. Wanneer Abraham 99 jaar oud is, maakt de HEERE hem duidelijk dat dit een verkeerde verwachting is. Nadat hij tegen Abraham gezegd heeft dat de besnijdenis het teken van het verbond tussen Hem en Abraham en zijn nageslacht aan de ene kant en de HEERE aan de andere kant is zegt God ook nog dit tegen hem: “Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit háár een zoon geven; ja, Ik zal haar zo zegenen dat zij tot volken zal worden; er zullen koningen van volken uit haar voortkomen. Toen wierp Abraham zich met zijn gezicht ter aarde en lachte. Hij zei in zijn hart: Zal bij een honderdjarige een kind geboren worden en zal Sara, die negentig jaar is, baren?”. Genesis 17:16,17

Abraham en Sarah hebben nodig dat de HEERE In de loop van de jaren Zijn duidelijke belofte nog duidelijker aan hen maakt. Daarvoor zijn twee redenen:

  1. Bij Abraham en Sara was er te weinig vertrouwen. Daarom dachten ze aan de mogelijkheid om Eliëzer de erfgenaam te maken.
  2. Met dit gebrek aan vertrouwen hangt samen dat ze overwegen om van de wil van God af te wijken in het verwekken van een kind. Vanaf het paradijs is het de wil van God dat het huwelijk een band tussen twee personen is.[3] Niet tussen meer personen. Dat geldt ook voor de seksuele gemeenschap in het huwelijk. Het is niet zo dat polygamie tot monogamie  geëvolueerd is.[4]

Nu Abraham 99 jaar oud is en Sarah 90 vertelt de Heere God  hen dat het kind, de zoon van Zijn belofte uit hen beide zal voortkomen. Abraham kan dit bijna niet geloven. Hij lacht in zijn hart. Deze lach van Abraham getuigt van kleingeloof.[5]  De HEERE gaat nog verder om Abraham tot het juiste geloofsvertrouwen te brengen. Hij noemt zelfs de naam die Abraham aan zijn zoon zal en moet geven. We lezen dit in Genesis 17:19: “Integendeel, uw vrouw Sara zal u een zoon baren en u moet hem de naam Izak geven. Ik zal Mijn verbond met hem maken, tot een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.”[6] Het lijkt bijna onmogelijk daar Abraham dit niet aan Sara verteld heeft.

Niet lang daarna[7] is de HEERE met twee van Zijn engelen bij Abraham op bezoek. De HEERE verschijnt net als Zijn engelen in de gedaante van een mens. Terwijl de 3 mannen eten, vragen zij aan Abraham waar Sarai is. Nadat Abraham geantwoord heeft, zeg de HEERE tegen hem, terwijl ook Sara dit ongezien kan horen: “Ik zal over een jaar zeker bij u terugkomen; en zie, dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben! Sara hoorde dat bij de ingang van de tent, die achter Hem was.” Genesis 18:10

Voordat we nu op de reactie van Sarah letten, is het goed erop te letten hoe die HEERE Zijn belofte van een zoon, waaruit een groot nageslacht zal voortkomen, al hoe duidelijker, al hoe meer concreet aan Abraham en Sara bekend gemaakt heeft.

De HEERE heeft In de loop van de tijd al hoe meer mogelijkheden, die toen benut konden worden, uitgeschakeld. Hij heeft al hoe duidelijker gemaakt dat Zijn belofte alleen vervuld wordt wanneer Abraham bij Sarai een zoon verwekt. Deze zoon uit haar geboren wordt. De HEERE maakt zo ook al hoe meer duidelijk dat Hij door een wonder, door iets dat In de ogen van mensen onmogelijk is voor het nageslacht dat hij beloofd heeft zal zorgen. Vanaf Genesis 12 heeft Hij zijn belofte al hoe meer  specifiek en concreet gemaakt.

De HEERE komt nu met de mededeling dat Zijn belofte over een jaar in vervulling zal gaan. Dit doordat Sarai dan zelf een zoon zal baren. Die HEERE zegt dit terwijl Sarai vanwege haar leeftijd niet meer menstrueert. We lezen dat in vers 11: “Nu waren Abraham en Sara oud en op dagen gekomen; het ging Sara niet meer naar de wijze van de vrouwen.”

Menselijk gesproken is het voor Sarai onmogelijk geworden om nog een kind te baren. Zij kan dan ook niet geloven dat ze nog een kind zal krijgen. Ondanks de belofte van de HEERE aan Abraham en dat Hij al hoe duidelijker gemaakt heeft dat het beloofde kind uit Abraham en Sarai zal voortkomen, is er bij haar geen hoop en geloof meer dat ze zelf nog een kind baren zal. De lach van Sarah Is zeker een lach die uit ongeloof voortkomt. Haar ongeloof is dat zij niet verder kijkt dan wat volgens menselijke ervaringen en gedachten mogelijk is.  Op dit moment is het niet Gods belofte  die haar houvast en zekerheid geeft. Volgens haar is wat nu gezegd wordt onmogelijk. De HEERE reageert hierop met een uitspraak waaraan we nadrukkelijk aandacht willen geven.

Hij zegt tegen haar: “Zou er iets voor de HEERE te wonderlijk zijn? Op de vastgestelde tijd, over een jaar, zal Ik bij u terugkomen, en Sara zal een zoon hebben!” vs 14

Het begin van dit vers in Genesis 18  is in de hele geschiedenis van Abraham van groot belang. Deze woorden van de HEERE  hebben grote betekenis voor de hele geschiedenis en voor de beschouwing van de geschiedenis.

Von Rad  schrijft over deze woorden dat dit in  Genesis 18 de edelsteen van grote waarde is.[8] Ook schrijft hij dat wat hier gezegd wordt boven de patriarchale omgeving uitstijgt en het wijst op de almacht van de goddelijke heilswil.[9]

Wij aanvaarden het Schriftkritische uitgangspunt van von Rad niet. Hij meent dat een latere redacteur vanuit zijn eigen theologische denken bepaalde elementen aan dit verhaal in Genesis 18 toegevoegd heeft.[10]  Die zou onder andere het eerste deel van vers 14 hier toegevoegd hebben. Het is wel waar dat we in vers 14a met een bijzondere uitspraak van God te maken hebben. Daarom wil ik deze woorden nu verder onderzoeken.

ZOU IETS VOOR DE HEERE TE WONDERLIJK ZIJN?

Sarai let op haar leeftijd en ziet haar lichaam. Zij komt tot de conclusie dat het voor haar onmogelijk is om nog een kind te krijgen. Gods antwoord is dat niets voor Hem te wonderlijk is. Hij gebruikt daarvoor de woorden: pl’ mn. Dezelfde combinatie van woorden vinden we in: Deuteronomium 17:8; 30:11; Jeremia 32:17, Psalm 139:6; Spreuken 30:18.

Laten we bekijken wat de combinatie van deze woorden betekent.

Er bestaat overeenstemming over dat de woorden pl’/plh  vooral de betekenis hebben om iets aan te duiden dat buitengewoon, onmogelijk, wonderbaar in onze ogen is.[11]

Een van de betekenissen van het woord mn  kan zijn dat iets te is.[12] Dat is ook de betekenis in ons vers. Hier staat dit woord niet in een zin die alleen een stelling of een mededeling is. Vers 14a is een vraagzin met de kracht van een uitroep. Op deze vraag kan alleen bevestigend geantwoord worden. Het vraagteken heeft hier de kracht van een uitroepteken. Het is een retorische vraag.

In deze vraag laat de HEERE met grote nadruk zien dat voor Hem niets te wonderbaar is. Dat menselijke ervaring en onderzoek nooit de grenzen van Zijn macht en mogelijkheden kan aanwijzen. Niets In de schepping kan zijn mogelijkheden beperken.[13] De HEERE kan en doet alles wat Hij wil.[14] Hij is niet aan menselijke ervaringen en mogelijkheden gebonden. Het feit dat de HEERE wonderen doet, verheft Hem boven de hele schepping en boven alle machten die bestaan. Dit wordt later nadat Israël door de Schelfzee getrokken is en de Farao met zijn leger In de Schelfzee de dood gevonden hebben, In het overwinningslied dat dan gezongen wordt weer in een retorische vraag krachtig uitgedrukt: “Wie is als U onder de goden, HEERE? Wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, U Die wonderen doet?” Exodus 15:11 

Een ander voorbeeld daarvan lezen we in Psalm 86:9,10: “Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere, zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen en Uw Naam eren. Want U bent groot en doet wonderen, U bent God, U alleen.”.

Wat is het nu dat voor de HEERE niets te wonderlijk is? Betekent dit ook dat Hij natuurwetten doorbreekt of kan doorbreken? Vaak menen Oudtestamentici  in onze tijd vanuit zogenaamde wetenschappelijkheid  dat het hierbij niet om doorbreking van natuurwetten zou gaan. Een voorbeeld daarvan is R. Albertz. Hij is een gezaghebbende Oudtestamenticus.[15] hij schrijft In een artikel dat hij over het woord pl in de TWAT geschreven heeft onder andere dit: “Het feit, dat pl vooral op Gods daden van verlossing wijst, toont aan dat het wonder In het Oude Testament geen doorbreking van een objectieve vaststaande orde (bij voorbeeld de natuurwet) bedoelt, maar een overstijging is van wat een mens in zijn concrete situatie verwacht en voor mogelijk gehouden wordt. De concrete situatie is daarbij de nood. Sara verwacht in Genesis 18 in haar nood van kinderloosheid, dat zij volgens menselijk oordeel verder kinderloos zal blijven. Het wonder is, dat God voor haar een onverwachte mogelijkheid openmaakt, doordat hij aan haar de geboorte van een kind aankondigt (vers 14). Deze gebeurtenis die redding brengt, kan helemaal “natuurlijk” zijn, Maar dat is niet nodig (zie bijvoorbeeld 2 Kon 6:6). Pl wijst op een nieuwe onverwachte mogelijkheid, die God aan de mensen ‘In de diepte’ openbaart. (Psalm 107:24).”[16]

Albertz  verwijzing naar 2 Koningen 6 kan de indruk wekken dat hij toch nog gelooft dat God door wonderen de natuurwetten doorbreekt. Dat is niet zijn bedoeling. Hij zegt eerst dat een wonder de natuurwet niet kan doorbreken, Maar dat het toch voor de mensen onnatuurlijk kan lijken. Zoals in 2 Koningen 6 waar Elisa een stok In het water gooit en er daarna het ijzer boven komt drijven.  Albertz wil van doorbreking van een vaststaande wet in de natuur niet denken. Het kan zijn in zijn ogen dat we later met meer kennis ontdekken hoe het echt gegaan is volgens mogelijkheden in de schepping.  

Ook andere voorbeelden In het Oude Testament maken  duidelijk dat God de natuurwetten doorbreekt wanneer dat voor de redding van zijn volk nodig is. Ik geef daarvan twee voorbeelden.

De eerste vinden wij in Jozua 10. Koning Adoni-Zedek van Jeruzalem trekt met zijn bondgenoten tegen Israël op. Israël heeft Jericho en Ai veroverd en de Gibeonieten hebben met Israël een verbond gesloten. Onder leiding van Jozua verslaat Israël het Amoritische leger. Er bestaat een goede kans dat  een groot deel van dat Amoritische leger kan vluchten. De duisternis zal het vluchtende leger dan beschermen. Het gevolg daarvan zal zijn dat de Amorieten op lange termijn een bedreiging voor Israël zullen blijven. Daarom vraagt Jozua die HEERE om de dag langer te Laten duren zodat hij het vijandelijke leger volledig kan verslaan. Dit kan alleen gebeuren wanneer de natuurwet verbroken wordt. We lezen dan in vers 13 en 14: “En de zon stond stil en de maan bleef staan[17], totdat het volk zich aan zijn vijanden had gewroken. Is dit niet geschreven in het Boek van de Oprechte? De zon stond stil in het midden van de hemel en haastte zich niet om onder te gaan, ongeveer een volle dag. En er is geen dag geweest als deze, daarvoor niet en ook daarna niet, waarop de HEERE de stem van een mens  verhoorde. De HEERE streed immers voor Israël.”

Een ander voorbeeld is koning Hizkia die heel erg ziek is. Alles wijst erop dat hij gaat sterven. wanneer de Profeet Jesaja voor de tweede keer bij Hizkia komt en aan hem vertelt dat de HEERE hem nog 15 jaar zal laten leven, gebeurt er het volgende: “Jesaja zei: Dit zal voor u een teken van de HEERE zijn dat de HEERE het woord dat Hij gesproken heeft, doen zal: Moet de schaduw tien treden verdergaan of tien treden teruggaan? Toen zei Hiszia: Het is voor de schaduw gemakkelijk om tien treden verder te gaan. Nee, laat de schaduw tien treden teruggaan. En Jesaja, de profeet, riep de HEERE aan, en Hij deed de schaduw tien treden teruggaan van de treden die zij op de treden van Achaz’ zonnewijzer naar beneden was gegaan.”2 Koningen 20:9-11

Het is werkelijk zo dat niets voor de HEERE te wonderlijk is. Hij is de enige God die alles gemaakt heeft en over alles regeert. Hij kan wanneer Hi wil natuurwetten doorbreken zonder dat dit voor de schepping noodlottige gevolgen heeft. Dat is alleen mogelijk omdat Hij alles in Zijn hand heeft. Alles In Zijn almacht bestuurt. Hij kan ervoor zorgen dat nadat een bepaalde natuurwet voor een bepaalde tijd of bij een bepaalde gebeurtenis tijdelijk aan de kant gezet is alles weer op de gewone manier gaat functioneren. Niets is voor Hem als de enige God te wonderlijk.

We keren nu terug Genesis 18.  We zien dan dat de woorden van die HEERE tot Sara:  “Zou er iets voor de HEERE te wonderlijk zijn?”  ook verband houden met Gods betrouwbaarheid. Hij heeft beloofd dat er een zoon uit Abraham en Sara geboren zal worden. De realisering van deze belofte van God kan niet door omstandigheden zoals de ouderdom van Abraham en Sarai verhinderd  worden. Het zijn niet de omstandigheden die regeren maar de HEERE die in alle omstandigheden alles in Zijn hand heeft. De HEERE herinnert Sara er aan hoe Hij steeds weer en steeds duidelijker gezegd heeft dat een zoon uit haar en Abraham geboren zal worden. De HEERE is de Betrouwbare in alle omstandigheden omdat niets voor Hem te wonderbaar is. De HEERE vraagt ook van Sarai vertrouwen op en geloof in Hem als de betrouwbare Almachtige.

Ik wil dit deel van het artikel afsluiten door In het algemeen met instemming aan te halen wat J. Ridderbos in verband met Genesis 18 vers 14 geschreven heeft. Wel  verschil ik met hem op een klein onderdeel. Dat vind je In de voetnoot.[18] Hier volgt het citaat: “Maar meer dan de bestraffing staat toch de onderwijzing op den voorgrond. Daarom volgt er ook: “zou iets voor de HEERE te wonderlijk zijn?” Op soortgelijke wijze spreek later Gabriel tot Maria, Luc 1:37. “Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.”

Voor Sara zoo goed als voor Maria is die uitspraak een krachtige opwekking om te gelooven. De Heere stelt het aangekondigde niet voor als begrijpelijk voor het menschelijke verstand. Neen, hij laat juist allen nadruk erop vallen, dat het een goddelijk wonder is, en dat tot de aanvaarding ervan niets minder noodig is dan de overlegging des geloofs, dat geen ding voor hem te wonderlijk zal zijn.

Alleen het geloof kan het aanvaarden. Maar het geloof heeft daartoe dan ook allen grond. Immers kan het steunen op de almacht Gods. Geen ding zal voor Hem te wonderlijk zijn. Wat kan het dan hinderen, of het aangekondigde het menschelijke verstand te boven gaat, of alle vleeschelijke overleggingen samenstemmen In het oordeel, dat het iets onmogelijks en onvervulbaars is? Voor de almacht Gods moeten alle moeilijkheden wijken; hij maakt al het kromme recht en al het duistere licht, en zal Zijn woord niet onvervuld ter aarde laten vallen.”[19]

Het uitgangspunt voor ons leven, voor de wetenschap, ook voor de Oudtestamentische wetenschap zal moeten zijn dat niets voor de HEERE te wonderlijk is. Dit zal ook het uitgangspunt moeten zijn voor elk echt theologisch onderwijs. We zien vaak in onze tijd dat wetenschappers, theologen en veel kerkleiders geen acht slaan op het werk door HEERE gedaan is en waarvan Heilige Geest ons in de Bijbel vertelt. Echte christelijke, gereformeerde theologie is al meer in een isolement terecht gekomen.[20]

Toch betekent dit niet dat we ons moeten isoleren.  Dat we in het verleden moeten wegkruipen. Het is juist nu onze taak om tegenover een verkeerde theologie met kracht te laten zien wat God ons in Zijn Woord en door zijn Woord leert. Om juist ook dat wat er vanuit de zogenaamde theologie ons wordt voorgehouden te toetsen. Te toetsen aan Gods heilig Woord!. Wanneer anderen ons op moeilijke punten wijzen, is het juist onze taak om bij het licht van het Woord van God in alle ernst een Schriftuurlijk antwoord te geven.[21] Dat is ook van groot belang voor de gemeenteleden die met allerlei meningen en uitleggingen geconfronteerd worden in onze tijd.

De grote stroom van de zogenaamde theologische wetenschap die vaak meer godsdienstwetenschap is geworden, gaat er niet vanuit dat voor God niets te wonderbaar is. De mens met zijn gevoelens is al meer norm en bron voor de theologie geworden. Daartegenover zullen we een helder geluid vanuit Gods eigen Woord moeten komen. Voor de huidige theologie is de bijbel vaak niet meer dan een van de bronnen. Een bron die net zo kritisch wordt bekeken als de andere bronnen die ze gebruiken.[22]

Ik wil nu nog vanuit een voorbeeld uit de huidige oudtestamentische wetenschap laten zien hoe de verloochening van de almacht van God de manier van uitleggen en exegetiseren van de Bijbel beïnvloedt. Hoe dit invloed heeft wanneer  we zoeken naar oplossing bij zaken in de Bijbel die vragen oproepen.

ZIJN MEER DAN 600000 ISRAELIETEN UIT EGYPTE GETROKKEN?

 Vosloo schrijft hierover in 1981 onder het opschrif:  Ernstiger historiese probleme: “Hoeveel Israelieten het die uittog meegemaak? In Eksodus 12:27 staan daar 600000 mans alleen, wat ’n totaal van meer as twee miljoen mense kan beteken. Is dit moontlik, aangesien die agtertes van so’n groot skare nog in Egipte sou wees wanneer die voorstes by Sinai aankom”[23] Het is duidelijk dat Vosloo hier zo formuleert dat je eigenlijk niet anders kunt dan het met hem eens te zijn.

Albertz schrijft in 1992 over de uittocht van meer dan 600000 Israëlieten het volgende: “Volgens de overlevering is de familie van Jakob met 70 personen naar Egypte gekomen en is daar onwaarschijnlijk tot het volk Israël uitgegroeid (Ex 1:7) en dit volk zou met 600000 mannen Egypte verlaten hebben (Ex 12:37). Deze voorstelling komt zeker niet vanuit de historische verhoudingen voort, maar is afkomstig uit latere theologische gedachten die ontstaan zijn nadat het Exodusgebeuren een centrale betekenis gekregen heeft. Het hele volk Israël moest in Egypte geweest zijn.”[24]

Preuss schrijft in 1991 in zijn handboek voor de Theologie van het Oude-Testament: “Dat historisch gezien het hele volk Israël geen deel aan de uittocht en ook niet aan de gebeurtenissen bij de Sinai gehad heeft, is common sense.”[25]

De moderne Oudtestamentische wetenschap acht het onmogelijk dat zoveel mensen in een keer uit Egypte getrokken zijn. Voor Vosloo is het een belangrijk argument dat het toch voor onmogelijk gehouden moet worden dat een rij van 2 miljoen mensen van de berg Sinai tot in Egypte gestaan heeft. Wanneer je wat langer over dit argument nadenkt, kan geen standhouden. Het argument van Vosloo zou waarde hebben als Israël op een smal paadje Egypte moest verlaten en niet anders dan op zo’n paadje moest blijven lopen. Dan moeten ze ook over zo’n smal pad door de Schelfzee getrokken zijn. Er is niets dat er op wijst dat dit nodig was. Nergens in de Bijbel lezen we dat bijvoorbeeld het pad door de Schelfzee een smal pad was. Juist het tegenovergestelde is waar. Dat het pad niet heel smal was, wordt duidelijk als de Farao zonder te twijfelen met meer dan 600 strijdwagens over het pad door de Schelfzee het volk Israël achtervolgt. [26]

Het tweede bewijs dat we niet met een smal pad te maken hebben, is de beschrijving die we in Exodus 14:21,22 en 27 vinden. We lezen daar: “Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE liet de zee die hele nacht wegvloeien door een krachtige oostenwind. Hij maakte de zee droog, en het water werd doormidden gespleten. Zo gingen de Israëlieten midden in de zee op het droge. Het water was voor hen aan hun rechter- en linkerhand een muur. ….   Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoet vluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.”

Gods werk bij de Schelfzee was groter dan een pad maken waarover een paar mensen tegelijk konden lopen. Het is duidelijk dat er veel meer gebeurd is. Er wordt zelfs vertelt dat de HEERE de zee liet wegvloeien. Dat Hij de zee droog maakte. Dat laat zien dat een groot deel van het water dat de Israëlieten voor zich zagen, verdween. Dat een groot deel van het water zo verdween dat een heel stuk drooggelegd werd. Het was een heel indrukwekkend gezicht.

Hoe is het als 2 miljoen mensen over een pad lopen waarbij je met 200 naast elkaar kunt lopen? Dan is de afstand tussen de voorste en de achterste zeker niet meer dan 15 km. Wanneer het pad zo breed was dat er 400 Israëlieten naast elkaar konden lopen,  is de afstand niet meer dan 7,5 km. Bij 800 is het niet meer dan 4 km.

Een derde argument dat er op wijst dat het pad waarover het volk getrokken is een breed pad moet zijn geweest,  is dat het volk In de nacht erover is gegaan. Wanneer het pad heel smal zou zijn geweest, zou het hele volk niet in een nacht door de Schelfzee naar de andere kant jebben kunnen komen.

Het geloof In de HEERE voor wie niets te wonderbaar is, zorgt ervoor dat we geen problemen zien waar ze niet zijn.  Het is niet menselijk denken dat leidend is maar de verwondering over Gods grote daden. Dan jubelt ook de theoloog die op een wetenschappelijk verantwoorde manier de Bijbel bestudeert met het dichter van Psalm 66: “Kom en zie Gods daden; ontzagwekkend is Zijn doen voor de mensenkinderen. Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet door de rivier gegaan;daar hebben wij ons in Hem verblijd.” vs 5,6

Ook vanuit een andere vraagstelling is betwijfeld of het getal 600.000 wel klopt. F.N. Lion-Chacht schrijft: “Kan die droë Sinaitiese skiereiland hierdie groot getal mense op ’n woestyntog huisves? Is die getal weerbare mans (600000) nie te hoog in vergelyking met die getalle van die manne van die farao nie? Farao Ramses II monster 20000 man vir sy uitwissingsveldtog teen die Hetiete.”[27]

De eerste vraag die Lion-Chachet stelt, heeft weer alles te maken met de vraag, die een uitroep is, of er voor de HEERE iets te wonderlijk is. Deze vraag van Lion-Chachet heeft geen enkele waarde als het er om gaat om te bepalen hoeveel mensen er in een keer uit Egypte getrokken zijn. Deze vraag wijst alleen op de mogelijkheden die er in de schepping volgens menselijke ervaring en onderzoek is. Het klopt dat de grond van het Sinaitische schiereiland droog is. Het  is waar dat deze grond niet de vruchtbaarheid en de voorzieningen heeft om een volk van 2 miljoen mensen te onderhouden. We lezen dat in de Bijbel zelf. Meerdere keren lezen dat er tijdens de woestijnreis geen water of voedsel beschikbaar is.[28] Toch is voor een theoloog die in de HEERE als de Betrouwbare gelooft, en die gelooft dat de Bijbel het volledig betrouwbare Woord van God is, de vruchtbaarheid van het Sinaitische  schiereiland niet beslissend voor de vraag of er echt 600000 mannen uit Egypte getrokken zijn.

Het is voor een gereformeerde theoloog beslissend  dat hij in de Bijbel als Gods betrouwbare Woord leest hoe de HEERE op een Goddelijke manier voor Zijn volk gezorgd heeft. De HEERE is niet van de vruchtbaarheid van het land afhankelijk. Hij geeft kwartels en manna![29]

Heel belangrijk is hierbij wat we in Deuteronomium 8 en 29 lezen. Het volk Israël staat dan, nadat ze 40 jaar in de woestijn geleefd hebben, voor het beloofde land. Dan zegt Mozes door de Heilige Geest geleid, tegen het volk: “De HEERE verootmoedigde u, Hij liet u hongerlijden en Hij liet u het  manna eten, dat u niet kende en ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te laten weten dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE komt. De kleren die u droeg zijn niet versleten en uw voet raakte niet opgezwollen in deze veertig jaar.” Deuteronomium 8:3,4

Het is menselijk onmogelijk dat een volk van ongeveer 2 miljoen mensen 40 jaar in de woestijn kan leven.  De woestijn heeft niet voor eten gezorgd maar de HEERE heeft dat gedaan o.a. door het manna 6 dagen in de week  te geven in die periode. De woestijn heeft niet voor de stof kunnen zorgen waarvan veel mensen steeds weer nieuwe kleren konden maken. Daarom gebeuren er door Gods zorg en regering dingen die volgens menselijk ervaring onmogelijk zijn. De kleren en de schoenen van de Israëlieten slijten niet in die 40 jaar!

We lezen daarover in Deuteronomium 29:5,6. Daar zegt de HEERE tegen Zijn volk: “Ik heb u veertig jaar door de woestijn laten gaan; uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten;  brood hebt u niet gegeten, en wijn en sterkedrank hebt u niet gedronken, opdat u zou weten dat Ik de HEERE, uw God, ben.”

Zelfs de schoenen sleten in die 40 jaar niet! Volgens menselijke ervaring onmogelijk! De HEERE heeft het volk op een bijzondere manier in leven gehouden om daarmee te laten zien dat Hij de HEERE is. Dat Hij de enig levende God is! Om zo Zijn Goddelijke almacht te laten zien. Om te laten zien dat Hij de God is voor niets te wonderbaar is.

Het tweede argument dat Lion-Chacet noemt om zich af te vragen of het wel echt 600000 mannen konden zijn, is dat een leger van 20000 toen al groot was.

Ook dit is geen overtuigend bewijs voor zijn vraag en stelling. De HEERE noemt hier namelijk een totaal van 600000 mannen maar dat wil niet zeggen dat dit het leger was dat uittrok in de strijd. Het gaat hier zelfs niet alleen om weerbare mannen. Ook de oude mannen zijn hierbij meegeteld.

Hierbij is ook belangrijk dat de 600000 dus niet een leger zijn dat aangemonsterd is. Het gaat hier om Gods volk dat uit de slavernij in Egypte gered is. Wanneer Farao Ramses II met alle  Egyptische mannen opgetrokken zou zijn, zou het aantal mannen veel meer dan 20000 zijn geweest.

Wanneer we in geloof blijven belijden dat niets voor de HEERE te wonderbaar is, zullen we niet vanuit wat volgens de schepping en volgens menselijke ervaring mogelijk is aan het getal 600000 twijfelen. Dat betekent niet dat vanuit echt exegetische overwegingen er niet naar gekeken mag worden of het woord elef, dat duizend betekent, hier niet de betekenis geslacht of afdeling kan hebben. Zelf ben ik er niet van overtuigd dat het woord elef  op deze plaatsen geslacht of afdeling betekent. Maar als bijvoorbeeld exegeten als Holwerda en Ohmann, die echt voor Gods onfeilbare Woord willen buigen, in deze richting denken, heeft dat niets met twijfel aan God als de Almachtige voor wie niets te wonderbaar is te maken.[30]   Wanneer iemand vanuit menselijke ervaring en gedachten hieraan gaat twijfelen zal dat ook het verdere verstaan van de Schrift beïnvloeden. We zien dat in de Oudtestamentische wetenschap o.a. gebeuren rond vragen over de uittocht uit Egypte en de intocht in Kanaan.[31]

Ik hoop dat het kleine voorbeeld van de 600000 mannen duidelijk maakt hoe we als gereformeerde theologen naar de Schrift hebben te luisteren. Wat is dat belangrijk voor echte theologie en voor een echt gereformeerde opleiding in de theologie. Het zal altijd weer uitgangspunt moeten zijn dat we naar de HEERE willen luisteren voor wie niets te wonderlijk is. Dat we Hem erkennen als de enige God. Die ook Christus uit de maagd Maria heeft laten geboren worden.  De engel Gabriël sluit zijn boodschap aan Maria af met deze woorden: ‘Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn” Lukas 1:37. Op die mededeling van de HEERE reageert Maria in geloof: “Zie, de dienares van de Heere, laat mij geschieden  overeenkomstig uw woord.” Lukas 1:38

Echte theologie wil ontvangen uit de mond en de handen van de enig levende God. Echte theologie luistert in de eerste plaats naar wat de Geest ons in Gods Woord vertelt. Om te ontvangen, om uit te delen. Zonder om te twijfelen aan Gods grote daden. Zonder er aan te twijfelen dat Hij het gedaan heeft zoals Hij het in Zijn Woord ons heeft vertelt.

Niets is te wonderbaar voor de Vader die zelfs Zijn Zoon naar de wereld gestuurd heeft om zondaren, om Zijn uitverkoren kinderen te redden. Onze taak is om het Woord van de Drie-enige God open te maken, open te leggen in de rijkdom die de HEERE erin gegeven heeft. Dan verspreiden we als theologen het licht dat in Christus als het Licht van de wereld zo geweldig schittert.

Bij echt theologie hoort verwondering over de HEERE en Zijn daden. Daarom sluit ik dit artikel af met een lofverheffing op de Drie-enige God die de Almachtige is: “Hem nu Die bij machte is te doen ver boven alles wat wij bidden of denken, overeenkomstig de kracht die in ons werkzaam is,Hem zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. Amen.” Efeze 3:20,21

BIBLIOGRAFIE

Aalders, G. Ch. 1973. Genesis II Kampen; Kok

Albertz, R. 1996. Religiongeschichte Israels in Alttentamentlicher Zeit I,II Gottingen: VandenHoeck & Ruprecht

Albertz, R. 1984 Pl’ni. (In:  Jenni/Westermann Theologisches Handworterbuch zum Alten Testaments Munchen: Chr Kaiser Verlag, p 413-420.

Beek van, A. 1991. Wonderen en wonderverhalen. Nijkerk: Callenbach.

Beek, M.A. 1981 Jozua  Nijkerk; Callenbach

Berkouwer, G.C. z.j.  Het probleem van de Schriftcritiek. Kampen: Kok

Bekkum van, K. 2011 From Conquest to Coexistence. Ideology and Antiquarian Intent in the Historiography of Israel’s Settlement in Canaan. Leiden: Brill

Bekkum van, K. e.a. (red) 2022 Bijbel met bijdragen over geloof, cultuur en wetenschap. Haarlem/Antwerpen:  Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Bie, de H.J. 1986 Von Rad’s kommentaar op Genesis. (In:  Knevel A.G. red.  Verkenningen in Genesis. P. 130-148) Kampen: Kok   

Becking, B; Dijkstra, M. (red)  1998  Een God alleen….? Kampen: Kok

Bruijne,  A.L.Th. 2003 ‘Er wordt verteld; er is geschied. De bijbel in beeld ’, (In C. Trimp (red.), Woord of schrift. Theologische reflecties over het gezag van de bijbel, Kampen: Kok

Bruijne, A.L.Th. 2022 Verbonden voor het leven. Utrecht: Kokboekencentrum   

Broers, P.D.H. 2022 Woordenboek van het Bijbels Hebreeuws  Nieuw-Lekkerland: de Haan

Calvyn, J. 1976 Genesis I, Goudriaan: De Groot

Davis D.R. 2012  Joshua   Ross-shire : Christian Focus

Deist, F. 1981. Van Jerigo tot Sigem (In: Deist,F. & Vosloo, W. red. Van Eden tot Rome. Pretoria: Van Schaik, p 58-75)

Deist, F. 1994. Ervaring, Rede en Metode in Skrifuitleg. Pretoria: Raad vir Geestelike Navorsing.

DuToit, S 1969. Openbaringsgeskiedenis van die Ou-Testament. Potchefstroom: Pro Rege-Reeks Beperk.

Gesenius, W. 1962. Handworterbuch uber das Alten testament. Berlin/Gottingen/Heidelberg: Springer-Verlag

Gispen, W.H. 1979 Genesis II. Kampen: Kok

Groningen van, G. 1996 From Creation to consummation. Sioux Center: Dordt College Press

Houtman, C. 1987. Prof. Dr. W.H. Gispen (1900-1986); Gereformeerd Theologisch Tijdschrift 87: 177-191

Jagersma, H. 1979. Geschiedenis van Israël in het oudtestamentische tijdvak. Kampen: Kok.

Jagersma, H. 1995  Genesis Nijkerk: Callenbach

Jeremias Theologie des Alten Testaments 2015  Gottingen: Vandenhoeck & Ruprecht

Jouon, P. 1991. A Grammar of Biblical Hebrew. Roma

Kautzch, E. 1980 Gesenius Hebrew Grammar. Oxford: Clarendon Press

Keil, C.F. & Delitzch, F. 1981 Commentary on  the Old Testament I, Grand rapids: Eerdmans.

Koehler, L. & Baumgartner, W. 1985. Lexicon in Veteris Testamenti  Libros, Leiden: Brill

Koorevaar, H; Paul, M.J. (red) 2013 Theologie van het Oude Testament  Zoetermeer: Boekencentrum

Kroeze, J.H. 1980. Handboek Bybelse Geskiedenis van die Ou Testament. Pretoria-Potchefstroom-Kaapstad: Interkerkelie Uitgewerstrust.

Land van der, J.G. 1993. Van Abraham tot david. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn.

Leeflang, E. 2022  Tasten naar God  Utrecht: Kokboekencentrum

Le Roux, J. 1996. ’n Nuwe Godsdiensgeskiedenis van Israel. NGTT, 37: 610-622

Lettinga, J.P.,  Baasten, M.F.J.; Peursen van, W. Th. 2012. Grammatica van het Bijbelse Hebreeuws. Leiden: Brill Academic Pub  

Lion-Chachet, F.N. 1980. Die wêreld van die bondsvolk. Potchefstroom: Wesvalia Boekhandel.

Mulder, M.J. 1971. Jahwe en El, Identiteit of Assimilatie? Rondom het Woord, 13: 402-418

Mulder, M.J. 1982. Geschiedenis van het volk Israël en zijn godsdienst tot de tijd van Alexander de Grote: een proeve. (In: Woude van der A.S. red. Bijbels Handboek 2a Kampen: Kok, p. 7-140.

Ohmann, H.M. 1983. Tellingen in de woestijn. Bedum: Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag.

Ohmann, H.M. 1993. Polygamie in het Oude Testament (In: Een levendige voorstelling. P. 86-93 Kampen; Van  den Berg

Paul, M.J; Brink van den, G.; Bette, J.C. (red)  Genesis/Exodus 2004 Veenendaal: Centrum voor Bijbelonderzoek

Paul, M.J; Brink van den, G.; Bette, J.C. (red)  Jozua/Richteren/Ruth/ 1 Samuël  2006  Veenendaal: Centrum voor Bijbelonderzoek

Preuss, H.D. 1991. Theologie des Alten Testaments I,II. Stuttgart; Kohlhammer.

Prinsloo, W.S. 1977. Hoofdstuk 3,4,5 (In: Zyl van, A.H. & Eybers, I.H. & le Roux, J.H. & Prinsloo, W.S. & Swanepoel, F.A. & Vosloo, W. Israel en sy bure. Durban: Butterworths.

Rad von, G. 1952. Das erste Buch Mose. Gottingen: Vanden Hoeck & Ruprecht

Ridderbos, J. 1928. Abraham de vriend Gods. Kampen: Kok.

Reynders, M. 2022 Exodus. Gorredijk:  Sterck & Vreese

Selms van, A. 1984. Genesis I. Nijkerk: Callenbach.

Sikkel, J.C. 1906. Het boek der geboorten II. Amsterdam: J.W.A van Schaik.

Skinner, J.  1930. Genesis. Edinburg: T. & T. Clark

Vaux de, R. 1978 Hoe het Oude Israel leeft I,II  Utrecht: Wristers

Visser, R.  2017  Gelukkig geen mythe  Tesselaren

Visser, R. 2009  Ik hou zo van jou  Van Berkum Graphics BV

Vonk, C. z.j. De voorzeide leer 1a. Barendrecht: Drukkerij “Barendrecht”.

Vosloo, W 1981. Van Gosen tot Jerigo. (In: Deist, F. & Vosloo, W. red. Van Eden tot Rome. Pretoria: Van Schaik, p. 28-57

Waltke, B.K.  2007     An Old Testament Theology Grand  Rapids: Zondervan

Wenham, G. 1994 Genesis 16-50  Dallas: Word Books

Westhuizen van der, N. en Olivier, H. 1992. De oorsprong van Israel volgens resente navorsing. In die Skriflig, 26: 221-246

Wolf de, I. 1975. De geschiedenis der Godsopenbaring I. Enschede: J. Boersma


[1] Onder anderen zijn het de teksten van Nuzi die bewijzen dat dergelijke gebruiken bestaan hebben. Deze teksten zijn ongeveer 13 km van Kirkuk in Irak gevonden. De ongeveer 4000 teksten dateren uit de 15e en 14e eeuw voor Christus. Verschillende gebruiken en rechtsregels worden daarin beschreven die ons het idee geven hoe er in die tijd en In de tijd daarvoor geleefd is. Jagersma vergelijkt het leven van de aartsvaders met deze teksten van Nuzi.  Omdat bepaalde gebeurtenissen uit het leven van de aartsvaders niet precies hetzelfde zijn als wat we In de teksten  lezen, komt hij tot de volgende gevolgtrekking: “de vergelijking van de rechtsgebruiken bij de aartsvaders met die van de teksten van Nuzi en andere documenten uit het Oude Nabije Oosten tonen in elk geval aan dat het op deze manier onmogelijk is de aartsvaders in een bepaalde historische context en plaatsen.” Geschiedenis van Israël p. 45, 46.

Jagersma vergeet hier iets heel belangrijks.  Het gaat niet om de precieze overeenstemming met bepaalde regels maar om het klimaat waarin geleefd werd. Dat betekent niet dat de regels en gebruiken overal precies hetzelfde waren maar dat ze binnen een zeker leefklimaat beleefd en uitgeleefd werden. in dit opzicht zijn de teksten van Nuzi en andere documenten uit het Oude Nabije Oosten zeker van waarde voor het verstaan en het begrijpen van de geschiedenis van de aartsvaders.

Vosloo schrijft op goede gronden: “in Genesis 15:4 koester Abraham die vrees dat syj slaaf Eliëser sy erfgenaam zsu word. Die Nuzi-gebruike verklaar die regtsgeldigheid van hierdie toedrag van sake:  In Nuzi kon ‘n kinderlose egpaar ‘n  slaaf of ‘n vreemdeling as kind aanneem, wat beteken het dat hy die erfgenaam word. As teenprestasie moes die aangenome kind die ouers tot hulle dood toe versorg.” israel en  sy bure. P. 58.

[2] Zie voetnoot 1. Vosloo schrijft hierover terecht:  Sekere huwelikskontrakte het die vrou verplig om ‘n  plaasvervanger aan haar man te gee indien sy kinderloos sou bly. Die optrede van Sara in Genesis 16:1-4, waar vertel word dat sy vir Hagar  as vrou aan Abraham gegee het, moet in die lig van hierdie gebruik gezien word.”  Israel en sy bure p. 58

[3] Rob Visser Gelukkig geen mythe p. 31-33

[4] Zie voor polygamie en de ontwikkeling van monogamie naar polygamie o.a.:  H.M. Ohmann Een levendige voorstelling p. 86-93

[5] We lezen in Romeinen 4 vers 20: “En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf.” We zullen het verschil tussen ongeloof en kleingeloof steeds weer in rekening hebben te brengen. Wanneer we lezen dat Abraham niet door ongeloof aan de belofte Van God getwijfeld heeft, wil dat niet zeggen dat hij een volmaakte gelovige was. Toen hij lachte kon hij bijna niet geloven dat het zo zou gaan. Hij heeft daarmee in zijn hart en gedachten geworsteld maar zijn lach was geen uiting van het verwerpen Van Gods woorden. Een heel goede en mooie omschrijving en uitlegging hiervan vinden we bij Ridderbos. Hij schrijft onder andere: “Belangrijker is de vraag, in welke geest dit lachen van Abraham is op te vatten. Veelal wordt een nogal scherpe tegenstelling gemaakt tussen Abrahams lachen en het later verhaalde lachen van Sara, Genesis 18:12; eene tegenstelling in dezen zin, dat het lachen van Sara een lachen des ongeloofs is, en dat van Abraham niet.

Nu komen wij op Sara’s lachen terug. Wat Abraham betreft, kan o.i. dit worden toegestemd, dat zijn zielsgesteldheid hier niet eenvoudig als eene van ongeloof mag worden bestempeld. Daartegen pleit al te zeer de door hem aangenomen houding van aanbidding; en ook het feit, dat hem generlei bestraffing ten deel valt.

Toch is aan de andere zijde dit lachen van Abraham ook niet het lachen van de vreugde des geloofs over de heerlijke belofte, die Hij heeft ontvangen. Dat blijkt wel uit de woorden, dat hij ‘zeide in zijn hart’; en evenzoo uit het feit, dat hij straks vraagt, of Ismaël mag leven voor des  Heeren aangezicht.

Abrahams lachen is de uiting van een gemoed, dat zich de Godsbelofte nog slechts zeer gebrekkig vermag toe te eigenen. Terwijl zijn neervallen het bewijs is, dat hij ze in geloof wenscht te aanvaarden en dit in beginsel ook doet, is dit lachen de aanduiding, dat het hem bij de belofte nog veelzins vreemd te moede is, en dat voor zijn geest het ongedachte en het schijnbaar ongerijmde ervan nog al te veel op de voorgrond staan. ….. Zoo is hier het ook bij Abraham. Tweeërlei worstelt in zijn binnenste. De Godsbelofte brengt op zijn gelaat den glimlach der bevreemding. O! hij verwerpt ze niet, maar hij staat er nog zoo menschelijk-onbeholpen tegenover. Dit is nu iets, dat hij nooit had kunnen denken, iets, dat ook immers tegen alle menschelijk verwachten indruischt. Het is zoo Goddelijk–wondervol, dat hij er nog niet goed mee terecht kan, nog niet weet, hoe hij het heeft, en dat het schijnbaar-ongerijmde nog te veel  zijn aandacht in beslag neemt, om zich er geheel en met klare vreugde des geloofs in te kunnen verdiepen.” Abraham de vriend van Gods p. 266, 267.

[6] De betekenis van de naam Isak is: hij die lacht, hij die reden geeft om te lachen.

[7] Wanneer de HEERE  met zijn belofte tot Abraham in Genesis 17:19 komt, is Abraham 99 jaar oud. Zie 17:1. De dag dat Isak wordt geboren is hij 100 jaar oud. Zie Genesis 21: 5

[8] Von Rad. Das erste Buch Mose, p. 176: ‘Ist dan etwas zu wunderbar gur Jahwe?”kommt die Erzahlung auf ihre Hohe. Das Worrt ruht in der Geschichte wie een edelstein in kostbarer Fassung.”

[9] ‘Von Rad. a.w. p.176: “Und es steigt in siener Bedeutung hoch hinaus uber das traulich patriarchalistische Milieu der Erzahlung als ein richtungsweisendes Zeugnis von der Almacht des gotlichen Heilswillens.”

[10] Volgens Von Rad heeft Abraham nog niet de almacht van Jahwel, de HEERE, Zijn heilswil gekend. Abraham zou zelfs Jahwe zelf nog niet gekend hebben. Volgens Von Rad Is dit verhaal In de loop van de tijd veranderd. Genesis 18;1-16 zoo volgens hem op de volgende manier ontstaan zijn:

  1. Eerst was het een verhaal dat duidelijk moest maken waarom Mamre een heiligdom was en dat een godheid zich daar geopenbaard heeft.
  2. Het volgende stadium van dit verhaal zou zijn dat er In de primitieve samenleving erop gewezen moest worden dat niemand zich aan de verplichting om een vreemdeling gastvrij te behandelen, mag omtrekken.
  3. Het derde stadium zou zijn dat Israël met dit verhaal in aanraking komt en dit verhaal van de bevolking van Kanaän overneemt. Het vervolgens  op Abraham toepast. De godheid waarvan die eerste weergave van dit verhaal zou spreken heeft Israël toen met Jahwe gelijkgesteld.
  4. De laatste redacteur van dit verhaal, die dan een Jahwist genoemd wordt, zou dit verhaal zo veranderd hebben dat het feit van gastgeschenk  die uit de voor-israëlitische vorm  van dit verhaal kwam is toen vervangen door de belofte van een zoon. De belofte van een zoon zou toen opgenomen zijn omdat die al bekend was uit andere Abrahamverhalen.

Deze gedachten kunnen we vinden op p. 173, 174 van het commentaar van Von Rad. We zien hier duidelijk een Schriftkritische achtergrond.

[11] Ik noem enkele voorbeelden waaruit de grote overeenstemming blijkt. Veel meer voorbeelden zouden genoemd kunnen worden.

Albertz, R In: Jenni/Westermann THAT p. 414

Boer, D.H. Woordenboek van het Bijbels Hebreeuws p. 295

Gispen, W.H.  Genesis II p. 158

Koehler/ Baumgartner Lexicon in Veteris Testamenti Libros s.v.  pl’   p. 759,760

Kruger P.A. In: Van Gemeren: Dictionary of Old Testament Theology & Exegesis  III p. 615-617

Gesenius, W, Hebraisches und Araisches Handworterbuch s.v. pl’  p 641

[12] Zie hiervoor o.a.:  Kautzch, E. Gesenius Hebrew Grammar p. 430 & 133c

[13] Vaak redeneren mensen, ook wetenschappers en theologen vanuit het analogie beginsel. A. van Beek geeft van dit beginsel de volgende omschrijving: “Om in deze warwinkel de historische feitelijkheid zoveel mogelijk te achterhalen gaat de historicus volgens bepaalde principia te werk. Een van de belangrijkste daarvan is het analogiaprincipe. Dat houdt in dat processen, menselijke reacties, de gevolgen daarvan, kortom alles wat met een gebeurtenis te maken heeft, vroeger net zo verliep als nu. Mensen worden nu geboren door de bevruchting van een eicel door een mannelijke zaadcel. Daarop zijn geen uitzonderingen bekend, ongeacht hoe die zaadcel en eicel bij elkaar gebracht worden. Als het nu zo gaat, ging het volgens het analogieprincipe vroeger ook zo. Als we dus een verhaal over een maagdelijke geboorte lezen, gaat het niet om een feit dat weergegeven wordt, en moet de auteur zich vergissen, voorgelogen zijn, of hij moet bewust een andere bedoeling hebben gehad. Dat hoeft geen verkeerde bedoeling te zijn, want het kan bijvoorbeeld de bedoeling zijn om via een mythe-achtig verhaal iets over de betekenis van de nieuwgeborene te zeggen. Op deze manier moeten alle verhalen geïnterpreteerd worden. Dat geldt voor de wonderbare spijziging (Mark. 8:1-9), dat geldt voor de zon die stilstond te Gibeon (Joz. 10:12 en 13). Maar dat geldt ook voor de gebeurtenissen die minder tegen de natuur. als Gideon volgens het verhaal van Richteren 7 met 300 man een geweldige overmacht van Midianieten verslaat, is dat minstens zeer onwaarschijnlijk. Het ligt dus voor de hand dat met opzet de aantallen Midianieten vergroot zijn en die van Gideon verkleind om aan de ene kant de hopeloosheid van de situatie van Israël aan te geven en aan de andere kant de grootheid van de bevrijding des te duidelijker te doen uitkomen. Volgens het analogieprincipe  zijn wonderen onmogelijk. Het kenmerkende van het wonder is immers dat het uniek is en dus analogieloos.” Wonderen en wonderverhalen, p. 191,192

Het wordt niet altijd zo absoluut gesteld. Er zijn ook vormen die iets voorzichtiger formuleren. Waar een scheiding tussen Bijbel en wetenschap gemaakt wordt. Waarbij de mogelijkheid opengelaten wordt dat de voorstelling in de Bijbel een vertelconventie is waarbij het er niet om gaat dat iets ook echt zo gebeurd is maar het verhaal iets moet laten zien van God. Een voorbeeld in onze tijd waarin we deze aanpak vinden is de ‘Wetenschapsbijbel” die in 2022 verschenen.  Andere voorbeelden zijn het artikel van de Bruijne in:  C. Trimp (red) Woord op Schrift”. De onwikkeling bij de Bruijne is op het gebied van het Schriftgezag verder gegaan. In zijn nieuwste boek: ‘Verbonden voor het leven’ meent hij dat de normen voor bijvoorbeeld homoseksualiteit in de Bijbel niet meer voor de westerse mens geldt omdat we andere mensen zijn geworden. Mensen die hun identiteit vinden in hun gevoelens en dat zou ook een ontwikkeling zijn door de Geest geleid.  Verder heeft van Dussen in 2015 daarover een lezing gepubliceerd die je kunt vinden op: https://ngk.nl/wp16/wp-content/uploads/2015/02/Dussen-BijbelWoordvanGod-20031126-20150619.pdf  (23 januari 2023). Ik denk ook aan het proefschrift van Van Bekkum waar het o.a. over Jozua 10 gaat:  ‘From Conquest to Coexistence’ Een heel duidelijk voorbeeld van deze benadering vind je in het heel deskundige boek van Evert Leeflang: Tasten naar God. Bij de bespreking van de theologie van Bultmann schrijft hij o.a. dit: “Bultmanns methode klonk indertijd voor behoudende theologen, en nog steeds, in de oren als een grove schending van de integriteit van de Bijbel en het gezag van de tekst. Vanuit de klassieke, behoudende hoek kwam er logischerwijs dus veel kritiek op deze aanpak. Toch kunnen we zijn benadering  van de Bijbel herkennen in vergelijkbare leesstrategieën die voor ook behoudende theologen dichterbij staan. De uitleg van het scheppingsverhaal  in Genesis 1-2 is een voorbeeld. De klassieke discussie over dit gedeelte is of we te maken hebben met een letterlijke weergave van de gebeurtenissen (‘een dag duurt 24 uur!’) of een die ruimte laat voor symboliek en een figuurlijke uitleg. De laatste positie zegt daarmee niet dat er helemaal geen schepping heeft plaatsgevonden, maar wel dat de bedoeling van de tekst niet is om een historisch verslag te geven, maar een theologie van de Schepper-God en Zijn schepping. Kortom, ook al komt het in de kledij van een verslag, deze moeten we herinterpreteren om tot haar ware boodschap te komen. Het mag dan waargebeurd zijn, voor hen draait Genesis 1-2 meer om de theologische laagdan om de  geschiedkundige   laag. Dit is methodisch vergelijkbaar met hoe Bultmann een existentile  laagen een geschiedkundige laag onderscheidt.”p. 109

Heel ontdekkende woorden!

[14] De HEERE kan niet zondigen. Zie o.a.: Hebr 6:18;2 Tim 2:12,13. Omdat Hij de zonde met heel Zijn wezen haat. Zijn haat tegen de zonde verloochent hij nooit. Hij is een en al waarheid en staat in Zijn liefde altijd voor wat goed is. Hij wil dus nooit het kwade en doet dat ook niet!

[15]Een heel belangrijk en voor velen gezaghebbend boek heeft Albertz in 1992 geschreven is:  Religiongeschichte Israels in Alttestamentlicher Zeit. I, II    Dit boek is in Zuid-Afrika door hoor J. le Roux met gejuich ontvangen. Zie: Le Roux NGTT 37,4 p. 610-622

[16] Albertz THAT p. 417: “Die  Tatsache, dass pl’ vor allem auf das Rettungshandeln Gottes bezogen is, zeigt, dass Wunder im AT nicht das Durchbrechen einer objektiv feststehende Ordnung (Z.B. des Naturgesetzes) meint, sonderndas Uberschreiten des von einem  Menschen in seiner Situation konkret Erwarteten und fur moglich Gehaltenen. Die konkrete Sitiation is hierbei die Not. Sara erwartet Gen 18 in ihrer Not der Kinderlosigheit, dass die nach menschlichem Ermessen weiter kinderlos bleiben wird. Das Wunder ist, dass Gott ihr unerwartete Moglichkeit eroffnet, indem er ihr die Geburt eines kindes ankundigt. (V.14) der Rettungsvorgang selber kann dabei gans ‘natuurlich’sein, braucht es aber nicht (vgl. Etwa 2 Kon 6,6). Pl’ meint die neue, unerwartete Moglichkeit, die Gott dem Menschen ‘im Abgrunde’eroffnet ) Ps 107,24).”

[17] We moeten onthouden dat de Bijbel geen wetenschappelijk taal gebruikt zoals wij die vandaag kennen. De Bijbel gebruikt de taal van elke dag. Ok wij zeggen in onze tijd nog altijd dat de zon opgaat en ondergaat.

[18] Ik ben ik niet met Ridderbos eens als hij schrijft dat Gods onderwijs hier meer benadrukt wordt dan de bestraffing. De HEERE heeft Sara in die eerste plaats bestraft. Hij heeft haar op haar ongeloof gewezen. Ridderbos maak te weinig verschil tussen de situatie waarin die HEERE tot Sara en Maria gesproken heeft.

[19] J. Ridderbos, Abraham de vriend Gods p. 280,281

[20] Berkhouwer schreef in de 30er jaren van de vorige eeuw een goed boek over het gezag van de Schrift, met als titel: Het probleem van de Schriftcritiek. Het opschrift boven hoofdstuk 8 is: Het isolement der gereformeerde Schriftbeschouwing. In Nederland is de gereformeerde Schriftbeschouwing al meer In het isolement geraakt. In verband hiermee kan gewezen worden op de ontwikkeling in bijvoorbeeld de Gereformeerde Kerken In Nederland en ook In de laatste tijd in de Gereformeerden Kerken vrijgemaakt die vanaf 1 mei 2023 samen met de Nederlands Gereformeerde kerken verenigen onder de naam Nederlandse Gereformeerde kerken.

[21] We moeten goed bedenken dat we niet altijd met pasklare oplossingen kunnen komen. De mens, ook de theoloog moet meerdere keren in diepe eerbied belijden dat hij geen duidelijke oplossing kan geven. Toch aanvaart je dan vol eerbied wat de HEERE ons vertelt in Zijn Woord. Ook voor de theoloog is heel belangrijk wat we in artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden: “En al wat in zijn doen het menselijk verstand te boven gaat, willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, verder dan ons begrip reikt. Maar in alle ootmoed en eerbied aanbidden wij de rechtvaardige beslissingen van God, die voor ons verborgen zijn. Wij stellen ons ermee tevreden, dat wij leerlingen van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst door zijn Woord, zonder deze grenzen te overschrijden.”

[22] Mulder schrijft in zijn artikel waarin hij de geschiedenis van het volk Israël beschrijft o.a. dit: “Uit het voorafgaande kan blijken dat we in het vervolg van deze studie niet alleen de Bijbelse gegevens kritisch zullen gebruiken, maar ook de archeologische, literaire en andere buiten-bijbelse gegevens.” Bijbels Handboek 2a p. 11

Veel theologen zien het als een grote beperking wanneer vanuit de belijdenis dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God is, de Bijbel bestudeerd en uitgelegd wordt. Het zou veroorzaken dat theologen hun gaven niet ten volle zouden kunnen ontplooien. Zo oordeelt de Oudtestamenticus C. Houtman over het werk van G. Ch Aalders en dat van W.H. Gispen. Hij schrijft over Aalders in dit opzicht: “Zijn uitleg is degelijk, maar gekleurd door zijn schriftbeschouwing. Meer in het algemeen kan gezegd worden, dat Aalders een bekwaam  vakman was, die goed op de hoogte was van de ontwikkelingen op het terrein van de wetenschap van het Oude Testament. Zijn kennis kon hij vanwege zijn schriftbeschouwing evenwel slechts ten dele vruchtbaar maken voor zijn werk.”

Ten aanzien van Gispen schrijft Houtman o.a. dit: “Schriftbeschouwing tegenover schriftbeschouwing. Gispens keuze voor de gereformeerde schriftbeschouwing, zijn overtuiging dat de Bijbel het gezaghebbende en onfeilbare Woord van God is, inpliceerde een afwijzende houding ten opzichte van binnen de

oudtestamentische wetenschap gangbare methode en hun resultaten. De bronnentheorie, vrucht van literaire kritiek en grondslag van de opvatting dat de geschiedenis  van de godsdienst van Israël in menig opzicht anders is verlopen  dan het Oude Testament het doet voorkomen, kwam al even ter sprake. Ook de resultaten  van vormkritiek en traditiekritiek met betrekking tot de Pentateuch: In de eerste vijf boeken van het Oude Testament is zeer uiteenlopende stof  van zeer verschillende herkomst samengekomen, waren voor Gispen vanwege de consequenties voor de historiciteit van het verhaalde onaanvaardbaar. De historiciteit markeert bij Gispen de grenzen van die speelruimte, die hij als exegeet en theoloog heeft. ….. Al met al, evenals Aalders heeft Gispen zijn kennis van de oudtestamentische wetenschap slechts tendele  vruchtbaar kunnen maken voor zijn werk.”GTT 87,4 p. 182,184,186.

Laten we in alle afhankelijkheid ons werk als opleiding  doen in de lijn van mensen als Aalders en Gispen! Laat elke exegeet bij de opleiding en in de kerken zo doen dat hij buigt voor het onfeilbare Woord van de enig levende God!   

[23] Deist, F. Van Eden tot Rome p. 57

[24] Albertz, R. Religiongeschichte Israels in alttestamenlicher Zeit. p. 73

[25] Preuss, H.D. Theologie des Alten Testaments Band 1 p. 86,87

[26] Exodus 14:7,16,17,21-23

[27] Lion Chacet, F.N. Die wêreld van die Bondsvolk p. 104

[28] Zie o.a.; Exodus 15:22-27; 16; 17;1-7; Numeri 11:4-35; 20.

[29] Zie Exodus 16

[30] Lion-Chacet noemt dit als derde argument. Zie voor Holwerda en Ohmann: H.M. Ohmann Tellingen in de woestijn p. 11-14. De exactheid van de getallen zoals die in Numeri 1:46 en 26:51 genoemd worden waarbij niet alleen duizendtallen maar ook honderdtallen en zelfs tientallen genoemd worden, is een van de redenen waarom ik hier niet Holwerda en Ohmann kan volgen.

[31] Goede overzichten over de gedachten die er onder Oudtestamentici over uittocht en intocht leven kun je o.a. vinden bij:

Albertz, Religiongeschichte p. 109-112

Van der Westhuizen & Olivier in: In die Skriflig 26e jrg p. 221-246

Reynders, M. 2022 Exodus. Gorredijk:  Sterck & Vreese